Koffiegeschiedenis Indonesie Deel 1

Leon Zaal van GreenCof heeft voor SpecialtyCoffee een serie artikelen geschreven over koffie uit Indonesië. We beginnen aan het einde van de 17e eeuw en eindigen dit deel aan het begin van de 20-ste eeuw toen de Nederlandse overhead zich geheel terugtrok uit de koffieteelt.

De koffiegeschiedenis van Indonesië gaat terug tot eind 17e eeuw. Officiele stukken tonen aan dat de Nederlandse gouverneur in Malabar in India plantgoed van een Jemen- of arabica-koffie (Coffea arabica) naar zijn collega Henricus Zwaardecroon, Nederlands gouverneur in Batavia (nu Jakarta), stuurde in 1696. Dit eerste plantgoed werden geplant in Kadawoeng, in de buurt van Batavia. De planten werden vernietigd door aardbevingen en overstromingen, waardoor Zwaardecroon een nieuwe zending uit Malabar moest laten komen. Dit plantgoed arriveerde in 1699 en werd op een veiligere en hoger gelegen plek geplant, in de bergen van West-Java. De planten groeiden en in 1711 werden door de Nederlandse Vereenigde Oostindische Compagnie (ook bekend onder de afkorting VOC) de eerste partijen verscheept van de haven van Batavia naar Europa. Binnen tien jaar steeg de export naar 60 ton per jaar, een hoeveelheid die in de daaropvolgende jaren snel zou stijgen. In 1724 werd op de Amsterdamse beurs meer dan 600 ton Javaanse koffie verhandeld. In de beginjaren werd koffie in Amsterdam verkocht voor 3 gulden per kilo, het equivalent van een paar honderd Amerikaanse dollars nu. Aan het eind van de 18e eeuw was de prijs gedaald naar 60 guldencent per kilo, waardoor het ‘zwarte goud' bereikbaar werd voor een groter deel van de bevolking, hetgeen de basis vormde voor een verdere uitbreiding van de productie. Buiten Arabië en Ethiopië werd Indonesië de eerste regio waar koffie grootschalig verbouwd werd.  De koloniale overheid breidde de koffieproductie vanaf halverwege de 18e eeuw uit door het stichten van koffieplantages in Centraal Java en de eilanden Sulawesi (voorheen bekend onder de naam Celebes), Bali en het zuiden van Sumatra. In Sulawesi werd de eerste koffie geplant in 1750. Het duurde veel langer voor in Sumatra gestart werd met het verbouwen van de beroemde highland-koffie. Rond het Toba-meer werd pas in 1888 voor het eerst koffie verbouwd, en pas in 1924 werd begonnen met het verbouwen rond het meer Laut Tawar. De grote plantages op het Ijen-plateau in het oosten van Java werden pas eind 1800 door Nederlandse kolonisten gesticht

Het tijdperk van overheidscontrole

 

Vanaf begin 19e eeuw tot 1905 werd de koffieteelt op het eiland Java uitgevoerd onder een Nederlands overheidsmonopolie, met uitzondering van de vijf jaar (1811-1816) tijdens welke het eiland onder Brits gezag viel. Het overheidsmonopolie werd voor het eerst ingevoerd toen majoor Daendels, handelend uit naam van de nederlandse kroon, de leiding over de eilanden van de VOC overnam. Voor die tijd hadden de prinsen van Preanger (West-Java) contractueel vastgelegd dat een jaarlijkse bijdrage in koffie betaald werd aan de VOC, in ruil voor het privilege van het behoud van hun land en landopbrengsten. Onder Daendels moest ieder inheems gezin 1000 koffiestruiken op dorpsgrond houden, en 40% van de oogst aan de overheid afstaan, die schoon en gesorteerd aan de overheidswinkel afgeleverd moest worden. Toen de Nederlandse overheid de eilanden weer heroverden op de Britten, wijzigde de nieuwe gouverneur Van Den Bosch het systeem. Onder zijn leiding moest ieder gezin 650 struiken houden en verzorgen en de totale opbrengst, schoon en gesorteerd, tegen een vaste prijs afleveren bij het overheidsdepot. Dit systeem stond bekend onder de naam Cultuurstelsel. In de praktijk bezorgde dit systeem de lokale bevolking veel problemen. De prijzen die betaald werd voor de koffie was veel te laag en door het systeem werden boeren gedwongen de rijstteelt te verwaarlozen waardoor honger en armoede ontstond onder de lokale bevolking.

Het Cultuurstelsel resulteerde in overheidscontrole over meer dan 80% van de totale oogst. De rest was in handen van particulier bewerkte plantages waarvan sommige in handen waren van lokale prinsen die in staat waren geweest een deel van hun soevereine rechten te behouden. Deze particuliere plantages werden veel efficiënter gerund en de opbrengst per struik was veel groter dan bij overheidsplantages waar de gedwongen arbeiders veel minder nauwkeurig werkten. In de loop der tijd breidden particuliere plantages verder uit dan die onder overheidscontrole en tegen het eind van de 19e eeuw produceerden particuliere plantages in totaal meer koffie dan de overheidsplantages. Uiteindelijk trok de Nederlandse overheid zich in 1905 terug uit de koffie-industrie op Java en in 1918-19 uit de gehele koffieteelt op de eilanden. 

Foto's Menno Simons Trabocca Papoea Nieuw Guinea

Terug